Zes maanden per jaar komen enkele van de grootste dieren op aarde tot op een paar meter van de Zuid-Afrikaanse kust. Zuidkapers zwemmen vanuit Antarctica omhoog om te paren en te kalveren in de beschutte baaien van de Western Cape, en van ruwweg juni tot november kun je ze vanaf een klifpad zien rollen, springen en hun jongen zogen, geen boot nodig. De piek is de lente, september en oktober, als de baaien het drukst zijn en de kalveren er zijn. Die toegang vanaf het land is wat walvissen kijken hier anders maakt dan bijna overal anders.
Hermanus is het middelpunt. Het klifpad boven Walker Bay loopt kilometers, de walvissen komen dicht genoeg om vanaf een bankje te bekijken, en de stad houdt nog steeds een whale crier die op een kelphoorn blaast als er een gespot wordt. Het Whale Festival neemt het eerste weekend van oktober over. Net oostelijk biedt Koppie Alleen in De Hoop dezelfde walvissen met een fractie van de drukte. De soort die je vanaf het land ziet is bijna altijd de zuidkaper, breed en zwart zonder rugvin. Bultruggen, die verder uit de kust trekken, en de hier verblijvende brydevinvis zijn meer iets voor een boot.
De echte vraag is dus land of boot. Vanaf de kliffen is het uitzicht gratis, kalm en nooit afgelast, en voor zuidkapers is het echt genoeg. Een boot brengt je lager en dichterbij, maar alleen als je een vergunde operator voor walvissen kijken per boot boekt, degenen die tot zo’n 50 meter mogen naderen terwijl iedereen anders op 300 meter moet blijven. Boten hangen ook af van de zee, dus houd een reservedag vrij. Het seizoen reikt ook voorbij Hermanus, naar Plettenberg Bay en Knysna op de Garden Route, en naar False Bay bij Kaapstad vroeg en laat in het jaar, dus waar je reis in de winter ook loopt, er is meestal een walvis binnen bereik.